'Dat is hooguit een halve minuut.'

'Een halve minuut kan lang duren.'

'Miriam, hij had een keer tegen uw venster moeten vliegen.'

'Georgine, schei uit. Ik mag er niet aan peinzen!'

'Doe toch uw venster maar toe vanavond, Miriam.'

'Schei uit, zeg ik. Ik ga d'r van dromen dat er zo een dwars door mijn ruiten komt gekletst.'

'Recht in uw bed, Miriam.'

Toen Louis door het park liep gaven alle bomen plots een doordringende scherpe geur. Alsof hij door de tastbare geur waadde. 't Is de lucht, niets anders dan de lucht, dacht hij en zijn knieen begaven het, hij plooide met een wellustig loom gevoel ineen, zakte nog verder, onbegrijpelijk ver en diep, hij werd toegedekt, een deken van rode watten, zachtjes vernietigd, zijn oor lag tegen fluwelen brandnetels, tegen een wijde gekookte bloemkool, zijn wang tegen paardenharen bont dat week en vloeiend werd, hij hoorde de marmeren koningin Astrid haar schoenen met houten zolen verschuiven, zij neeg naar hem.

Hij werd thuisgebracht door voorbijgangers, hij hoorde ze iets zeggen over vitaminen. Mama zat naast hem, vlakbij de Seynaeve die weerloos, krachteloos in zijn eigen bed lag. Zij zei: 'Ge hebt me doen verschieten, ik dacht dat ge verongelukt waart, maar het is niks, een flauwte, het is niks, het komt meer voor.' Hij verzamelde al zijn krachten en vatte haar hand, kuste de rug van de droge geparfumeerde huid in een zwartkanten handschoen. Hij was een ridder die op het Groeningheveld uit pure angst meende dat hij door een vijandelijke pijl getroffen was en in zwijm gevallen, maar, toen, hersteld van zijn bange verbeelding, zijn 'Houzee! Wat Wals is, vals is! Sla dood!'-krijsende makkers zag en weer naar het slagveld toe wou. Ik wil. Hij zwaaide zijn voet opzij en stapte uit het bed. 'Ziet ge?' zei Mama. 'Ziet ge? Het was niks. Godzijgedankt. Maar wat zijn die bulten in uw nek? Het is precies een bloedvergiftiging. Zoals ik gehad heb met die geverfde fourruremantel.'

==

Hij verzuimde de mis. Hij werd de klas uitgezet door de leraar wiskunde. Zijn landerigheid leek op die van Papa. 'Twee pezewevers,' zei Mama, 'en ik die mijn best doe om het gezellig te hebben in huis.'

'Ik ook?' riep Louis.

'Gij ook.'

De elektriciteit viel steeds meer uit. Zij zaten, zonder radio, bij kaarslicht witte bonen in tomatensaus te eten. Mama vertelde over Bibi Zwo, het nieuwe hondje van Doktor Lausengier, een tekkel die elke dag twee kilometer moest lopen voor zijn gezondheid.

'Kan hij zelf zijn eigen hond niet uitlaten?' vroeg Papa.

'Ik moet doen wat hij vraagt, hij is mijn baas. En om langs de Leie te lopen, daar heeft hij geen tijd voor.'

'Wat heeft hij dan te doen, hele dagen? Het werk wordt allemaal voor hem gedaan.'

'Hij is toch verantwoordelijk voor zijn bazen in Leipzig.'

'Hij passeert zijn tijd met Franse gazetten te lezen,' zei Papa.

'Hoe weet gij dat?'

'Dat gaat u niet aan. Ik zeg alleen maar dat hij 's morgens begint met gazetten te lezen. Dat weet ik. Eerst en vooral zijn Franse gazetten.'

'Niet waar,' zei Louis. 'Hij begint de dag met twee sneetjes geroosterd brood.'

'Ja?' Mama's kwellerig lachje verscheen, voor het eerst sinds weken.

'Hoe weet gij dat?' riep Papa.

'Ik weet alles.'

'Ja? Echt waar? Alles?' Mama schepte zijn bord boordevol.

'Geroosterd brood met drie tassen thee.'

'Thee!' schrok Papa. 'Lijk de Engelsen!'

'Dan rookt hij een sigaret. En dan pas leest hij de voornaamste organen van de wereldpers. Over de binnen- en buitenlandse politiek.'

'Dat zou ik ook doen,' zei Papa, 'als ik er tijd voor had.'

'Om tien uur komt de post. Maar die is al eerst geschift door Mama die de stukken reserveert waar hij in eigen persoon kennis moet van nemen.'

'Gij zijt zeker een vliegje in onze bureau?'

'En verder?' vroeg Papa.

'Hij leest die post. Waaronder menige smeekbrief. Het kost enige moeite om uit te maken wie er moet geholpen worden. Want er is veel kaf onder dit koren.'

Mijn ouders hangen aan mijn lippen. Mama vooral.

'Er is post van eenvoudige landelijke mensen die bezorgd zijn om hun jongen. Bitte, Herr Lausengier, man hat gesagt das onzeren Willem auf das Punkt staat om naar Duitsland te vliegen met het volgende rapport, hij die toch een goede lasser is en sein Bestes doet, fragen Sie mal an Frau Seynaeve.'

Mama liet een kort gemiauw horen en ontstak een nieuwe sigaret aan haar peukje.

'Ofwel: Herr Lausengier, onze Gerard hat ein Finger verloren an die Maschine. Wer zal dat betalen?'

'Schei uit met dat namaak-Duits. Het is niet geestig,' zei Papa. 'Dat doen alle anglofielen.'

'Verder, Louis, verder,' zei Mama-met-de-blinkende-ogen.

'Dan telefoneert hij naar de pastoor van het dorp van de betrokkene om te weten te komen of het geen bedriegerij is en of die familie gunstig aangeschreven staat in de parochie, want ge weet nooit, mensen zijn in oorlogstijd slim en slecht. Dan, om elf uur, is er audientie en ontvangt hij de meestergasten. Het middagmaal wordt in gezelschap van Frau Seynaeve gebruikt, een eitje, vis, vlees, tafelbier en als er geen klachten zijn van de Kommandantur een half flesje Bordeaux. Dan komt de auto voorrijden en begeeft hij zich naar het bastion van de Franstalige burgerij van Walle, de 'Flandria' waar hij zijn geliefkoosde tennissport bedrijft. Alhoewel hij van een ongeevenaarde handigheid is valt hij een enkele keer op zijn knieen en bevuilt hij zijn tennisbroek. Hij is zeer lenig evenwel, hij kan zijn ene voet achter zijn nek slaan. Daarna likt hij aan het ijsje van een voorbijgaande dame, dit niet nadat hij niet...'

'Wat is dat, dat niet nadat hij niet?'

'Laat hem toch verder vertellen, Staf!'

'Ik was vergeten dat hij voor hij het ijsje likt, eerst een verfrissend stortbad heeft genomen. Niet te koud. Vooral niet te koud.'

De kaarsjes flikkerden. Louis at een paar koude bonen. Hij had geen zin meer in het verhaal, maar Mama wachtte, gespannen, in het milde licht-en-schaduwspel.

'Hij was klaar met tennissen,' zei Papa.

'Dan rijdt hij weer naar kantoor, hij zit naast de chauffeur, want hij is gemutlich met het personeel. En het werk hervat hij niet zonder een kwinkslag met Frau Seynaeve. Hij legt een patience voor het avondmaal. Dat begint altijd met soep. Hij is zot van soep. Dan wordt in zijn appartement de bridgetafel klaargezet en komen er vooraanstaande personen uit de Belgische financiele wereld. Hij betreurt het niet voldoende te kunnen jagen, want in zijn Heimat liet hij nooit na zijn jachtlaarzen aan te schieten en er met houtvesters op uit te trekken om soms in een hut langs de weg met smaak een kopje koffie te nuttigen.'

'En ge zeidt dat hij thee dronk!' riep Papa zegevierend.

'Op de jacht is het koffie, zo uit de kokende ketel boven het haardvuur, terwijl hij kout met de bewoners van de hut. Met de nodige gereserveerdheid natuurlijk.'

Mama begon de tafel op te ruimen. 'Het is nu genoeg.'

'Leest hij veel boeken?' vroeg Papa.

'Nooit. Dat heeft hij vroeger genoeg gedaan, beweert hij.'

'Genoeg. Ja. Genoeg,' zei Mama.

'Het is een interessante mens, zo te horen,' zei Papa.

==

Tot zijn ergernis vroeg Haegedoorn op de speelplaats niet een keer waarom hij niet meer naar de nsjv-vergaderingen kwam. Ook kwam er niemand van het Vendel naar zijn huis om uitleg te vragen. Zij hielden hem waarschijnlijk voor een het zinkende schip verlatende rat op het ogenblik dat Europa streed aan de Boven-Wolga en in Noord-Afrika, en de plutocraten steeds vaker Parijs, Berlijn, Walle bombardeerden.

Hij ging weer regelmatig naar de mis, ontving bijna dagelijks in zijn mond de God van Erbarmen (waarin je moet geloven anders kan je je meteen aan een balk ophangen) toen hij op een morgen door de halfopen deur van de sacristie in een flits een ongeschoren kleine jongeman in sjofele kleren met een arm heftig gebarend, dringend zag inspreken op niemand anders dan de Kei. Er was geen twijfel mogelijk, de rijzige, zwaarbebrilde Kei stond onverklaarbaar, ondenkbaar op dit uur, op vijf kilometer van zijn College in de sacristie van de Sint Rochuskerk.

'Ik heb u vanmorgen in de Sint Rochuskerk gezien,' zei Louis in de speeltijd.

'Ik? Nee. Dat kan niet.'

'Ik heb u herkend.'

'Gij verwart me met een andere priester zonder haar.'

'Gij liegt, Eerwaarde.'

'Nee. Toch.' Louis' mentor en vijand en leider en geestelijke vader werd een bleke man wiens onderlip zakte als bij een jongen met geverfde lippen in een spiegel.

'Ik kan het u uitleggen, Louis. Maar nu niet. Ik bid u, in de naam van de Heer Jezus, vergeet dat gij mij daar gezien hebt. Ik smeek u, zeg dit aan niemand.'

(Wat deed hij daar, op tien passen van het altaar? In de sacristie? Een zwarte mis opvoeren?)

'Mag ik op u rekenen, Louis?'

'Ik zweer het, Eerwaarde.'

'Ik zal het u belonen.'

'Dat is niet nodig, Eerwaarde,' en voor het eerst was het Louis die van de ander, van hem, wegwandelde.

==

'Die jongen wordt een schaduw van zijn eigen, Constance. Maar bezie hem toch, wit als een raap. Hij heeft zijn verzorging niet, Constance, ik moet het u rechtaf zeggen.'

'Hij eet lijk een dijkendelver.'

'Maar wat? Nonnenscheetjes!'

'Nee, vlees. En op school krijgt hij melk en vitaminen en soldatenkoeken.'

'Heeft hij geen lintworm van al dat vlees dan?'

'Want het vlees van onze Robert heeft dikwijls een reukje. We kunnen niet zeggen dat Robert zijn familie voortrekt.'

''t Is lijk een verdriet dat hij heeft. Is het verdriet, Louis, ventje?'

'Ik zou niet weten waarom, BoMama,' zei Louis.

'Voor mij is hij verliefd.'

'Maar, Helene, gij peinst ook nooit eens aan iets anders. Nee, hij heeft iets onder de leden, Constance.'

'Het is de groei.'

'Ja, ge ziet het aan zijn handen en voeten. Het gaat een bonepers worden.'

'Ja, hij schiet op.'

'Van schieten gesproken, zij hebben de Burgemeester van Vernisse neergeschoten.'

'Vernisse, waar ligt dat?'

'In zijn lever. Dat is niet meer te repareren.'

'Het zijn de Walen die stilletjesaan naar onze streken overkomen. In het Walenland mogen ze moorden en branden zoveel ze willen, 't zit daar vol met vreemdelingen en communisten.'

'Ze krijgen geld van Moskou, om het front in Rusland wat te verlichten.'

'En onze Mona hare Ulli die naar, waar is het? Somalie gezonden wordt. Zij schreit hele dagen. Met Cecile op haar schoot. Dat kan ook niet goed zijn voor een kind.'

''t Is misschien beter dat ge ze zo vroeg mogelijk leert wat liefdesverdriet is,' zei Mama.

BoMama verslikte zich bijna van het lachen. 'Maar Constance toch! Lijk dat gij dat zegt. Lijk op een kerkhof of op een tribunaal.' BoMama bedaarde, plukte aan haar sjaals. 'Liefdesverdriet, het doet zeer, maar het is het zout van 't leven.'

'Ik heb liever een pekelharing,' zei Tante Helene.

==

De boerse schildwacht voor het Frontreparaturbetrieb erla was geen Vlaamse Wachter, maar droeg een donkergrijs uniform van Luftwaffe-snit. Hij leek met opzet de andere kant op te kijken toen Louis door de poort liep. Waarschijnlijk, nee, zeker had Mama de lummel op de hoogte gebracht van zijn komst, het geweer in 's mans handen was vast een speelgoed zonder kogels. De echte geweren ontbranden niet hier in het onaanzienlijke Walle met zijn paar torentjes, zijn rijen werkmanshuizen, zijn villa's met voortuintjes. Europa's lot ligt elders.

In hun grauwe overalls stonden jongelui gebogen over gonzende, denderende machines.

Voor een keer had Mama iets goed uitgelegd, hij vond de gang en de derde deur links met het opschrift Dr. Lausengier.

'Herein,' zei Mama's opgewekte stem. Zij sprong achter haar schrijfmachine vandaan, in eenzelfde warrelende beweging schikte zij haar haar, drukte haar peuk uit en stak haar hand uit alsof zij voor het eerst in hun leven samen, Louis' hand wou drukken, maar zij aaide over zijn wang. (Zij speelde voor moeder opdat een witharige dunne dame die met een paperclip tussen de lippen aan een kleiner bureau zat het kon zien.)

Het kantoor was licht, met wijde ramen waardoor je de bankwerkers in het gebouw aan de overkant kon bespioneren, blonde meubelen, het portret van de Fuhrer grotendeels verborgen achter een palm, een kalender met een Alpenzicht, metalen ladenkasten met tientallen cactusjes erop. Haar paradijs, waar zij liever woonde dan thuis. De iele dame nam een folder op en verdween.

'Wilt ge een potje koffie?'

'Nee.'

''t Is geen malt, hoor.'

'Nee, bedankt.'

'Gij gaat niet lastig zijn, he?'

'Nee, Mama.'

'Het is echte koffie. Ik mag er maar een paar lepeltjes van nemen, zij zit opgesloten in zijn brandkast. En natuurlijk dat ik er een beetje van naar Janine van de keuken smokkel. Want hier moet ge goed staan met 't personeel.'

Zij ging op de vensterbank zitten. Naast haar verscheen in het kader van het raam, achter in de tuin, de lange man die in de 'Flandria' tsjuus tegen hem gezegd had. Met de handen op zijn rug gekruist praatte hij in zichzelf, of zei Protestantse Duitse schietgebeden. Hij bleef staan, roffelde met de zijkant van zijn handen tegen zijn lenden, zakte lichtjes door de knieen, rekte zich dan weer uit en sprak tot een bruine tekkel met een nat zwart vlekje van een neus, die onder een struik aan het scharrelen was. Hij wuifde naar Mama.

Van dichtbij had hij een korrelige huid, een onderzoekend, ietwat laatdunkend gezicht.

'Heil Hitler,' zei Louis.

Mama zei dat dit nu haar zoon was. Excuses en trots tegelijk.

'Ach,' zei de man en toen in schoon-Vlaams - 'Goedendag, hoe gaat het u?'

'Goed.'

'So,' zei de man. In het Duits beweerde hij dat de gelijkenis met Mama treffend was, doch, doch, je kon het vooral merken aan de mond, er was daar etwas ahnliches. Tot zijn vreugde ontdekte Louis dat de man Lausengier niet het minste vermoeden had dat de schildwacht met de vlag op het grint bij de 'Flandria' dezelfde was als de beleefde en overdreven happig glimlachende zoon van Mama die voor hem stond. Daarom werd Lausengier niet naar de reele oorlog gezonden, te blind, te stom, zonder geheugen. En toch Doktor geworden. Een ferme blokker waarschijnlijk. Geweest. Sindsdien alle leerstof kwijtgespeeld. Tennissen, ja, maar dan nog meteen uitglijden, baksteenrood op de door Dietse Meisjesscharen gewassen en gestreken hagelschone broek.

'So.' Lausengier leegde de halfvolle asbak van Mama's bureau in de grauwmetalen papiermand. Hij vroeg hoe het was, in de Hajot. Dus toch. Woedend stotterend omdat hij weer een volwassene had onderschat - mijn arrogantie maakt mij stekeblind, opletten, idioot! - zei Louis dat hij het niet wist. Want de Hajot bestond niet in Vlaanderen. Alhoewel er sprake was dat zij opgericht zou worden, ooit, binnenkort.

'So.' Het kon hem geen bal schelen. Louis zei dat hij overigens geen deel meer uitmaakte van wat voor een jeugdbeweging ook. Mama viel in en beweerde dat zij het had zien aankomen, het meteen had aangevoeld, dat Louis het niet zou uithouden bij een groepering, daarvoor was hij veel te veel op zijn eentje.

'Ach,' zei Lausengier. 'Maar wat doen we dan met de ontwikkeling van gezonde mannelijke deugden?' Louis hield zijn stalen gezicht in bedwang, nooit laten merken dat ik de luchtige scherts heb opgevangen.

'En wat doen wij met de noodzakelijke initiatieriten, met het vertrouwen in de leiders?'

'Henny,' zei Mama. De Doktor liet het goud in zijn mond zien. Hij had uitzonderlijk brede polsen met gouden krulletjes, waar Bibi Zwo aan likte.

'Hij zal het wel schaffen,' zei hij alsof Louis er niet bijstond, en groette toen een smalle jongeman in een gerafeld pak die binnengekomen was zonder kloppen. Misschien omdat hij maar een arm had. De jongeman gaf Louis zijn enige hand, hij zag er kalmer, zelfbewuster uit, dan toen hij zo heftig op de Kei inpraatte in de sacristie van de Sint Rochuskerk. Bibi Zwo begon laag te grommen, zijn oren half overeind. Lausengier zei dat het erg vriendelijk was van Monsieur Donkers om langs te komen.

'Het duurt maar een kwartiertje,' zei Mama tot Louis, zij gaf Donkers een bijna lege map.

'Tien minuten,' zei Donkers met een Oost-Vlaams accent, zijn ene arm trok Louis vriendelijk mee. Lausengier knipoogde.

In een spreekkamertje met reglementen en leuzen aan de wanden zei Donkers: 'Zet u. Op uw gemak. Ik ga u niet bijten.'

Een affiche toonde in ijle strenge Dolf Zeebroeck-lijnen een vooroverduikende ss-man met op zijn linkermouw 'Vlaanderen-Korps' die zijn machinegeweer richtte op een onzichtbaar gebleven harige, stinkende want in bunzingvellen gehulde Aziatische tandeloze donkerogige partizaan. Over de helm van de soldaat waaide een vlag die in vele plooien gehouden werd door een vastberaden kaakspierspannende middeleeuwer, waarschijnlijk Tijl Uilenspiegel, de geest van Vlaanderen. Donkers volgde met zijn vinger de regels van de twee slordig getikte blaadjes in de map en knikte goedkeurend. 'Je vois. Je vois.'

'Ik heb niets misdaan,' zei Louis.

'Natuurlijk niet. Het is geen kwestie van misdoen.'

Het kamertje had tralies voor de ramen en er was maar een deur, het was een cel voor weerspannige arbeiders of gevangen sluipschutters.

'De voornaamste klacht is duizeligheid, nietwaar?'

'Nee,' zei Louis aarzelend. 'Toch niet.'

'Maar uw moeder heeft dit opgegeven.'

'Dat was maar een keer. Het kwam door de lucht die in de bomen hing.'

'Oui. Oui.'

'Een soort zwavellucht.'

'Je vois. Je vois. Ik maak me daarover niet veel zorgen. Ook niet over uw nachtelijke en andere polluties, natuurlijk. Ge zijt een grote jongen, dus al een beetje een man. En wij zijn mannen entre nous.

Had Louis zijn dolk bij zich gehouden, niet op zijn nachttafel laten liggen, hij had er mee kunnen zwaaien, de eenarmige doen knielen onder het tafeltje, zijn weg kunnen banen tussen de bedienden en de arbeiders in een snelle ren voorbij de verblufte boer in grijs uniform voor de deur, langs de spoorweg, in de koude akkers.

'Gij moet niet beschaamd zijn, omdat ge van meisjes droomt en dat uw lichaam daar op reageert. Bon. Voyons un peu.' Hij stond op en daarom kwam Louis ook overeind, rillend, alsof het regende binnen in zijn benen.

'Doe uw broek eens naar beneden.'

Louis geloofde dit niet. Hij voelde zijn Untermensch-onderlip zakken.

'Nu?'

'Ja, nu.'

Ongelovig maakte Louis zijn bretels los.

'Het gaat er alleen maar om dat we uw moeder geruststellen, he, dat zij niet te veel over u moet piekeren.'

Hoogrood trok hij met een razende ruk zijn broek en zijn onderbroek naar beneden. O, wat zou zij hiervoor boeten, Constance Seynaeve-Bossuyt, om haar slijmerig netwerk van verklikkerij en verraad, want het was nu duidelijk bewezen dat zij achter Louis' rug contact had met ofwel Haegedoorn of Bosmans of Genevoix. Genevoix, die was het. Die had Mama schoenen beloofd, zonder bonnen, zonder blozen, zwart geld, in het geniep. 'Voyons voyons,' zei de eenarm en duwde, trok de voorhuid weg, voelde, kneedde de ballen, en sloeg Louis dan op de schouder.

'Pas de problemes. Alles is perfect. En zeker in de normen, ik weet niet waar uw Mama een probleem is gaan zoeken. Wel, een beetje beter wassen, jeune homme. Un peu d'hygiene quand meme.' Louis hoorde hem niet meer, bloed tampte in zijn slapen.

'Wel, dat is rap gebeurd,' zei Mama. Louis durfde haar niet aan te kijken, de verachtelijke mooie vrouw die hem zo gewetenloos gekrenkt had, bleef krenken met haar zoetsappig flemend lachje.

'Aucun probleme,' zei Donkers en gaf haar de slappe map terug.

Overgeleverd aan de vreemdelingen, onder wie zijn moeder, die nu Frans met elkaar spraken (Lausengier, iets langgerekter en nadrukkelijker in de medeklinkers dan de andere twee) zat Louis in Mama's bureaustoel. Op de gang telefoneerde een Duitser, hij zei twaalf keer: 'Jawohl', twee keer 'Jawohl, Ortsgruppenleiter', het klonk slaafs en rauw tussen de nabije speels afgeraffelde Franse insinuaties, wendingen, binnenpretjes. Alsof ik ze godverdomme niet kan verstaan! 'Une insulte au mariage... (Wie insulteerde? Hij, Louis?) Et a la generation et la travail et l'epargne... gachant l'energie...' Ongestraft, met Mama als voornaamste medeplichtige, wat zeg ik? als aanstookster, hadden zij het over zijn zonde, de zonde die hem alleen toebehoorde dacht hij. Hier, tussen frivool gekwetter werd zijn zonde op Mama's bureau gelegd tussen de mappen, asbakken, pennen, telefoon, atlas, koffiekopjes. Louis, in zijn met zweet doordrenkte kleren, met jeuk in zijn gezicht, hoorde Uilenspiegel zeggen dat dit met bloed gewroken moest worden, de Flandern Korpssoldaat zei: Rache tussen zijn tanden. 'Jawohl,' zei Louis als de telefoneerder. Hij zou haar vernietigen, de aanbiddelijke die daar wuft-Frans stond te kronkelen in een doorzichtig en glazig en glinsterend omhulsel samen met haar samenzweerders, slangen wriemelden uit haar haar.

Louis glimlachte haar toe. Toujours sourire.

==

Eerst trok hij met een meetlat en potlood een vingerbreed lijstje rond de foto en toen verfde hij het lijstje met Oost-Indische inkt zwart. Omdat hij een stompe dikke borstel gebruikte waarmee Papa voor de oorlog een gouden sausje aanbracht op de vuurrode zijkanten van de jaargangen van Ons Volk die hij inbond, was het rouwzwart gespikkeld met gouden puntjes. Wat hem passend leek.

'Nee,' zei Heydrich, 'het moet zilver en zwart zijn, dat zijn de kleuren van politieke soldaten.' - 'Maul zu,' zei Louis. - 'Gij zijt overigens vrij laat met uw rouw voor mij. Maanden te laat! Maar ik begrijp het, voor u, Vlamingen, gaat de nagedachtenis van Reimond Tollenaere voor. Daarom hebt gij mij hier ongeeerd maanden laten hangen.' - 'Tollenaere is van het kamp van mijn vader, van Dietsland. Vlamingen gaan voor.' - 'Op het slagveld maakt de oorlogsgod geen onderscheid in de graden. Want wij worden allen een in de dood. Toch was Tollenaere slechts Untersturmfuhrer.' - 'Hij is op het slagveld gestorven, gij niet.' - 'Pas op, ge verft het behangpapier mee. Een beetje zorgvuldiger, bitte. Tegenover een held.' - 'Ja, Protektor.'

Toen zweeg de dode Protektor. Twee mannen die boyscoutsfluitjes bij zich hadden - of scheidsrechtersfluitjes? nee - en die door de Britse regering opgeleid vanuit Schotland werden gezonden, verborgen hun granaten en stenguns onder hun jassen in een voorstad van Praag. De geniale administrateur, schermer, vioolspeler en Protektor richtte zijn pistool naar hen, een granaat ontplofte, in de rook en het stof schoot hij naar zijn belagers die laffelijk vluchtten achter een tram, hij zakte ineen, zijn milt was kapot, hij stierf een week later, de man met het ijzeren hart.

'Rache,' zei de dode Protektor. 'Als ge mijn moordenaars vindt betaal ik aan uw vader en moeder een miljoen kronen. Dan zijt ge een beetje uit de nesten.' - 'Maul zu,' zei Louis stilletjes.

In het schemerdonker, ruim voor de fatale seconde waarna alleen soldaten op straat mochten - of koelies, Tintenkulis, met Scheine - ging Louis met een baksteen onder zijn jas naar de schoenwinkel Genevoix. Maar vond daar een metalen rolgordijn voor de ruiten. Hij wist niets beters te verzinnen dan aan de bel te trekken en hard weg te hollen, de baksteen viel in gruizelementen.

Belleke-trek. Bah!

's Anderendaags mocht hij als keeper in de goal van het College-elftal staan omdat Hendriks zijn moeder zich opgehangen had, een briefje achterlatend: 'Niemand houdt van mij of van Bolero.' Bolero was haar Siamese kater die zij eerst vermorzeld had met een voorhamer.

Het College won op alle fronten, de Vakschool werd omsingeld, teruggedreven, neergeschoten, drie-nul, toen ineens, door iedereen aanwijsbaar afzijds, een slungel van een timmermansleerling doorbrak en een hemelhoog schot afvuurde. Louis zag de bal naar hem dalen als een meloen die uit een vliegtuig viel, hij spreidde zijn armen en bleef staan, het was alsof hij voor het eerst, los van elke herkenbare ruimte, een bal zag, een verweerd lederen rond element (omtrek ongeveer zeventig centimeter, gewicht bijna een halve kilo) dat naarmate het naderde, onwaarschijnlijker werd, vreemder, niet van deze wereld, onaantastbaar, ook hij, Louis, was er nauwelijks en was er toch, op acht meter van zijn goal, hij wou als een omarming met het onbekende, het raadselachtige voorwerp tegemoet vliegen, het viel een meter voor hem en hupte terug in zijn eigen ruimte, steeds onbereikbaar, en kwam met een boog waarvan de volmaaktheid Louis bleef verstenen, over zijn hoofd in de netten terecht.

En toen brak zijn ontzetting los en het wild gejouw van een twintig spelers en een tiental toeschouwers.

Eerwaarde Heer Landegem, de leraar Grieks en scheidsrechter, die in principe neutraal moest zijn, riep: 'Wat doet ge toch, Seynaeve?' vooraleer hij naar de middellijn liep. Hij leek wel een muilpeer te willen uitdelen. 'Wij stonden drie-nul voor, ik dacht dat er wat leven in de brouwerij moest komen,' zei Louis. Toen hij wat later moest uittrappen vloog zijn schoen - of liever die van Hendriks, die grote platvoeten had - met de bal mee onder honend gejoel. Wat een dag! Meer. Toen hij zich verkleedde merkte hij dat hij in zijn broek gekakt had. Rache.

==

Theo van Paemel bracht een fles jenever mee die door een kennis van hem was gestookt, en vroeg Mama haar aan Doktor Lausengier te geven. 'Hij weet wel waarom. En zeg hem dat hij niet benauwd moet zijn. Hij mag er gerust van drinken, het is geen methyl waar ge blind van wordt. - En gij, Staf, ge zoudt een beetje op uw woorden moeten letten. De Duitsers horen niet gaarne dat ge overal rondbazuint dat ge bij de Sicherheitsdienst zijt.'

'Ik bazuin helemaal niks,' riep Papa.

'Wij hebben getuigen. Ge zegt zulke dingen bij de coiffeur Felix.'

'Ikke? Ik kan hoogstens gezegd hebben: ''Ik, als lid van het vnv vind dit of dat!"'

'Maar gij zijt geen lid van het vnv.'

'Bij manier van spreken toch!'

'Staf, houd u koest. Dat is voor iedereen het veiligste.'

'Als een mens niet eens meer mag redeneren.'

==

Wat Peter wel toeliet en waar het Bisdom geen been in zag was dat Papa zich als vrijwilliger meldde bij de Eerste Hulp bij Ongevallen zodra de alarmsirene haar laatste dierlijk gesteun liet wegebben. Omdat hij liefst niet geconfronteerd werd met het bloed van de onschuldige Wallenaren die onder de bommen vielen, regelde Papa het verkeer, met een armband om en een witte blindenstok. Hij brulde de mensen toe en de mensen schreeuwden terug als viswijven: 'Vuile vnv'er.' Dan wees Papa, met de theatrale gebaren waarmee hij successen had geoogst op de planken als Chinese hoveling, Tiroolse boer, bijrechter, naar de sterren waartussen zich de vliegende forten des doods bevonden en riep: 'Zijn dat vnv'ers?' Wat het volk zonder kop deed nadenken en waarop het verwensingen riep naar de hemel vol moordenaars.

Hij kwam meestal tegen de ochtend thuis en viel in zijn stoel. Elke keer zei hij: 'Nu pas weet ik hoe zwaar de politie het heeft.'

Die ochtend kon Mama uitslapen omdat de avond en de nacht tevoren het verjaardagsfeest van Doktor Knigge gevierd was bij mijnheer Groothuis. Louis schonk de lichtlichtbruine malt in. Papa ademde zwaar. Hij had puin geruimd.

Louis zei, terwijl hij zijn oren spitste naar een mogelijk geluid uit Mama's slaapkamer: 'Is dat nu om de mensen te helpen dat gij dit doet of omdat ge vindt dat anders de tijd zo traag voorbijgaat en dat gij hier anders toch ongedurig zoudt rondlopen en wachten tot Mama thuiskomt? Ik geloof dat ge het haar kwalijk neemt dat zij tot 's ochtends wegblijft, nee? Ik kan haar geen ongelijk geven, het is toch beter dat zij wat verzet zoekt.'

'Verzet,' zei Papa. 'Verzet, zeg dat woord niet. En ''weerstand" ook niet of ''Witte Brigade".'

'Waarom niet? Er is hier toch niemand anders in huis.'

'Het is gelijk. De muren hebben oren.'

'Goed. Dan zeg ik: distractie. Het is normaal dat zij wat distractie zoekt, zij moet toch hard werken, of niet soms? Ik ben er geweest en ik heb het gezien, zij is de hele tijd in de weer, facturen hier, correspondentie daar. Zij is daar gaarne gezien, zij noemen haar zelfs de ''Madonna van de erla" omdat ze gekwetste frezers of lassers verzorgt in de infirmerie. Nee, de enigen die daar nonchalant en laks zijn, zijn de Duitsers zelf, dat heb ik met mijn eigen ogen kunnen constateren. En dat komt omdat het de verkeerde Duitsers zijn, want zij zijn gezond van lijf en leden en toch niet aan het front als echte soldaten; er is dus een reden waarom ze naar het Hinterland verbannen zijn. Volgens mij, maar ik kan mis zijn, komt het omdat ze de gewenste moraal niet hebben, omdat de commandanten aan het front die gasten niet vertrouwen. Toen ik er was heb ik ze Frans horen spreken onder elkaar, zeg nu zelf, wordt dat gedaan, in volle oorlog de taal spreken van onze erfvijand?'

'Frans?'

'Ja. Omdat ze onder elkaar dingen vertellen die het daglicht niet mogen zien.' (Dit is de taal van zijn Lord Lister-romans, die verstaat hij het best!) 'Omdat ze denken dat ze veilig al het gezever kunnen uitbrengen dat hen bezighoudt. Nu, ik verstond heel goed wat zij zeiden en het was niet van het properste. Nee, ik geloof dat er daar adders aan de borst van het Duitse Rijk gekoesterd worden. Want met hun on-Germaanse frivole praat ondermijnen zij de inspanningen van hun leger. In plaats van de scheuren en gaten in hun vliegtuigen, de barsten in hun propellers, in de gaten te houden, kletsen ze in het Frans over l'amour romantique. Wat het leven kan kosten aan nietsvermoedende piloten en zware kosten meebrengt, want een Messerschmitt vervangen, dat loopt in de honderdduizenden franken.'

'L'amour romantique?' vroeg Papa, als verwacht.

'Onder andere.'

'Wat zeiden ze nog meer in het Frans?'

'Ik kan u dat beter een andere keer vertellen. Ge zoudt nu beter naar bed gaan.'

'Nee, nee.'

'Toch wel. Want, moe als ge zijt, zoudt ge verkeerde conclusies kunnen trekken uit iets dat misschien onder hen maar een kinderachtig spelletje is, waar wij, als buitenstaanders, geen zicht op hebben.'

'Welk spelletje?' zei Papa verwilderd.

'Luister. In het licht van wat ik daar waargenomen heb als onbevooroordeelde toeschouwer moet ik vaststellen dat er daar in die Werkstatte mensen op verantwoordelijke posten zijn die daar niet thuis horen.'

'Draai niet rond de pot.'

'Papa, die Duitsers zijn niet gedreven door de Atlantische gedachte - dat staat voorop. Maar zij gaan ook om met Frans sprekende dokters die met plutocratische beginselen de moraal van de arbeiders ondermijnen, met priesters die ook niet deugen want in hun onderricht wordt nooit de klemtoon op het volkse gelegd, integendeel, die priesters blijven lege filosofieen verkondigen over het joods-christelijk geloof die ons volk in de verdwazing houden. (Kei, Kei, vergeef me want ik weet niet wat ik doe!)

Terwijl onze jongens dagelijks de hoogste offers brengen, denk maar aan de twee zoons van de kolenhandel hier om de hoek die door Migs getroffen zijn, terwijl wij allemaal samen verenigd pal zouden moeten staan om onze eigenheid als Vlamingen te vrijwaren, is er daar op die kritieke plek iets aan de hand dat eigenlijk rucksichtslos zou moeten verwijderd worden als een rotte appel.'

'Wie gaat dat doen?'

'Gij niet. Natuurlijk niet. Ik ook niet, maar gij zeker niet. Omdat ge verblind zijt. Wetens en willens wilt ge niet zien dat uw vrouw op de bureaus van de erla...'

'Zeg verder.'

'Dat zij daar het slachtoffer en de slaaf is van haar driften.' (Ging hij niet te ver? Zijn vader knikkebolde maar bleef luisteren.) 'Gij kent haar beter dan ik, gij weet hoe zij is. En dat ge dat toelaat, dat moet ge zelf weten. Alleen zult ge straks niet mogen zeggen: ''Mijn kind was op de hoogte en heeft het mij niet, van man tot man, in mijn open aangezicht verteld!"'

Louis praatte sneller, want hij meende de naakte voet van zijn moeder gehoord te hebben die uit het bed stapte, de plankenvloer kraakte.

'Waarom verzorgt zij haar huishouden niet? Er zijn zo veel vrouwen die werken en na hun werk hun gezin in stand trachten te houden. Zij, zij staat daar te ginnegappen als die Luizegier zich in het Frans lustig maakt over de meeste vrouwen in Vlaanderen die hij betitelt als ''des pondeuses soumises" (een uitdrukking over Duitse vrouwen die Louis opgevangen had van meneer Tierenteyn tijdens een bridgepartij in de 'Patria'). 'Pondeuses, eieren bebroedende vrouwen. Waarmee hij de normen, begrippen, leitmotieven van ons ras belachelijk wilde maken. Dat Mama dit gedoogde, ik kon het niet verstaan! Ik werd met afgrijzen vervuld.'

Herkende Papa dit laatste als regelrecht voortkomend uit 'De Diamantenmoorden', een recente Lord Lister? Papa haalde zijn schouders op. Zijn ogen vielen dicht. Hij wreef over zijn schedel die zwart was van het roet dat uit de verwoeste huizen was gedaald.

'Het zal een of ander spelletje geweest zijn, maar toch hoorde ik de Luizengier zeggen: ''Je te veux."'

'Tegen wie?'

'Je te veux, Constance, a outrance.' Louis was verbaasd-trots op het rijm dat zo maar in hem opkwam.

'Wat wil dat zeggen: a outrance?'

'Tot de dood ons scheidt of zoiets.'

'Ik vermoord haar,' zei Papa, maar toen Mama om halftwaalf naar beneden kwam was hij te moe om te moorden, hij sliep in zijn stoel, met zijn rug tegen het behang, met open borrelende mond, en sloeg in zijn slaap naar de dwarrelende Miezers die zich vermenigvuldigden in zijn door mijn propaganda-Abteilung aangetaste hersenlobben. Mama had haar wenkbrauwen uitgedund. Met een propje watten dat rook naar de apothekerij Paelinck bette zij de gewelfde bogen boven haar oogleden, de iele haartjes.

Dat Louis de geur kon plaatsen kwam omdat op dat ogenblik de apotheker in de radio als een kijvende, preutse Dalle tekeerging tegen de logge Wanten.

Nonkel Roberts vadsige kop stond nog boller van het ingespannen luisteren.

'Wanten, weet gij hoe dat gij vijftig Wallenaars in een konijnenkotje kunt krijgen?' - 'Nee ik, Dalle.' - 'Door d'r een frietje in te smijten!' Nonkel Robert's vele buiklagen schudden. 'Waar halen ze 't uit? Waar halen ze 't uit?'

Monique, zijn spichtige verloofde (op elk potje past een dekseltje) veegde haar tranen af. 'Een frietje!' zei ze hijgend, 'Waar halen ze 't uit?'

Monique was van een welgestelde boerenfamilie, maar de familie was tegen haar verkering met Nonkel Robert, natuurlijk alleen maar om geen bruidsschat te hoeven meegeven, maar dat zou zijn plooi wel vinden, en binnenkort, binnenkort zouden een paar van de twintig koeien en vijftig varkens van Monique's thuis hun weg wel vinden naar de beenhouwerij van Nonkel Robert, als hij zich geinstalleerd had, want zoals nu kon het niet meer, in een plaatsje een voorschoot groot. Hij had aan Peter om een lening gevraagd maar Peter deed zo bits de laatste tijd, hij praatte alleen maar over deze gevaarlijke tijden. Peter had de laatste maanden ook geen stap meer in de 'Rotonde' gezet, want daar kwamen te veel zwarten, hij bridgede nu uitsluitend in de 'Patria'. Volgens Nonkel Robert voelde Peter de wind keren.

'Hij is altijd een windhaan geweest,' zei Mama fel. Want Peter kwam ook niet meer in de Oudenaardse Steenweg.

'Wanten, ik ga u een keer een straf Vlaams historietje vertellen!' - 'Ja maar, pas op, he, ik ben een Vlaming' - 'Dat geeft niet, Wanten, dan ga ik het u drie keer vertellen!' Nonkel Robert en Monique vielen in elkaars armen.

'Toch is dat minder,' zei Papa. ''t Is het ogenblik niet om met Vlamingen de zot te houden.'

''t Was toch een fijntje,' zei Monique. 'Ik ga het u drie keer vertellen, zegt ie! - Nog een geluk dat we een keer kunnen lachen, he, Constance?' Nonkel Robert loerde in de pan op de kachel. 'Ik dacht het. Dat ik gestoofde raapjes rook. Zeggen dat we vroeger een bundeltje rapen kochten lijk of dat het een doosje lucifers was. En nu...'

Mama trok haar jas aan. 'Weet ge zeker dat ge niet mee wilt?'

'Nee,' zei Papa.

'Ik ga naar een concert van Robert Stolz,' zei Mama tot haar broer en diens schrale verloofde. 'Hij komt het zelf dirigeren, en 't schijnt dat hij niet lang meer mee zal gaan met zijn maagoperatie, het is dus het moment om hem in het echt te zien.'

'Lijk dat ik onze Staf ken,' zei Nonkel Robert, 'zou hij in slaap sukkelen. Ik heb dat ook. Tien maten violen en cello's en ik ben vertrokken. Daarbij, Staf, met al de rapen die ge gegeten hebt, zoudt ge de muziek meespelen. Want rapen doen het gat gapen!'

Monique stootte een hevig geproest uit, Nonkel Robert lachte mee, hun huwelijk was in zicht, vol geschater, innig gegiechel.

De reden waarom Papa niet mee wou naar het concert werd duidelijk toen een uur later de bel ging en Raspe de keuken in kwam. Louis herkende hem met moeite. De man met de gemene tronie die in zijn gulp had zitten foefelen en door Papa uit zijn atelier verjaagd was, zat in het salon waar Papa de open haard had aangemaakt zodra Nonkel Robert met zijn Monique vertrokken was, als een grauwe man met een hard, scherp gezicht dat door de sneeuwstormen van de steppen gepolijst was. Hij had een veel te wijd zondags streepjespak aan waaronder zijn legerlaarzen staken. Zijn uniform werd gewassen en geperst, zei hij, omdat hij morgen naar Vindernisse moest waar een wapenbroeder gehuldigd werd die verleden maand gesneuveld was met het gezicht naar het Oosten. Hij was de hele middag bij kameraden op zoek geweest naar een grammofoonplaat van 'Siegfried's Tod' want in dat achterlijk gat van Vindernisse hadden ze dat natuurlijk niet voorhanden, en het was het minste wat hij voor zijn strijdmakker kon doen. Het heldendodenlied.

'Ik heb de hel gezien, Staf,' zei Raspe.

Papa schonk hem Elixir d'Anvers in, de laatste gehamsterde fles.

'Ik zeg de hele tijd in mijn eigen, ''Pieter Raspe, gij zijt thuis" maar het lukt me niet. Ik ben daar.'

Raspe draaide onhandig een sigaret uit een gedeukt blikken doosje, zijn ene hand zat in een wollen want waaruit drie donkerblauwe vingers staken.

'En als ik denk aan die democraten die hier op hun gat zitten en kijken vanwaar de wind zal waaien om hun zaakjes te doen.'

'Ik heb dikwijls op 't punt gestaan om mij te melden,' zei Papa, 'maar met mijn linkernier...'

'Ik zei dat niet voor u, Staf, ge weet dat wel.'

Raspe zoog de witte lucht diep in zijn borstkas. Niet als Mama die in korte haaltjes voor in haar mond pufte. Raspe eet de dikke witte walm.

'Er zal nooit iets uit dat Vlaanderen van ons komen zolang we niet met zijn allen de dood onder ogen durven zien. Zolang we dat benauwde risicoloze laffe systeem van eigenbelangen de bovenhand laten krijgen. Het is maar op het terrein dat ge dat inziet. Daar en niet elders. Dat ge inziet dat ge als Vlaming de Duitse broeders niet alleen kunt laten vechten. En als ik zeg: broeders, kost mij dat geen moeite meer. In het begin wel. In de eerste maanden als rekruut heb ik dikwijls geschreid, Staf, ik kom er eerlijk voor uit. Hebt ge al een keer een appel meegemaakt, afgenomen door een Duitse onderofficier, in de opleiding? Een stofje op de loop van uw geweer en ge vliegt direct de cel in. Ze kraken u, Staf. Ge denkt dat ge iets zijt, iets betekent en ze kraken u, totdat ge een ander zijt na een tijd, iemand die zich totaal inzet.'

Met zijn bruuske linkerklauw greep Raspe de goudgele fles. 'Daar, bij ons, kunt ge geen trucjes uithalen. Ge zijt een kameraad door zon en ijs, of ge zijt een blaas, een schijter die in leven probeert te blijven en dan blijft ge niet lang in leven.'

'Hoe is 't eten daar?' vroeg Papa.

'Wij hebben daar niks. Tenzij luizen. Als de foeragewagen een paar dagen wegblijft...'

'Wat dan?' vroeg Louis.

Hij had zijn vraag te gretig gesteld, Raspe grijnsde hem toe. 'Louis, mijn jongen, als ge geen ideaal hebt, geen ideaal dat u door merg en been gaat, zoudt ge daar geen oog toedoen 's nachts, van de verschrikking. Wij bevriezen daar, wij ontploffen daar, wij zijn verplicht van mensen aan stoofhout te kappen, maar wij hebben ons ideaal. Wij gaan er waarschijnlijk aan kapot gaan, wij hebben geen stront in onze ogen, maar de Fuhrer heeft ons nodig en wij hem.'

Louis voelde zijn ogen branden. 'Ik zou met u willen meegaan.'

'Leer eerst uw lessen,' zei Papa.

'Ja,' zei Raspe moe. 'Dat kunt ge beter allemaal doen hier in Belgie, uw lessen leren. Gij die nog altijd denkt dat ge met tactiek en slimmigheid en listen de wereld te lijf moet gaan. En het is waar dat ge met al die trucjes kunt krijgen wat ge wilt. Dat is waar voor u. Niet meer voor ons. Wij gaan met open ogen naar een doel.'

Veel later, toen de fles Elixir allang leeg was met twee zoemende vliegen erin, toen Papa al vaak ostentatief naar de klok had gekeken, toen de ijzeren namen Kertsj, Voronesj, Dnjepropetrovsk herhaaldelijk dreunden en Louis zijn algebra inkeek, zei Papa: 'Wie er een les moet geleerd worden, dat zijn die profiteurs die, terwijl gij uw kloten afdraait voor een verenigd Europa en voor de geschiedenis, hier ongestraft hun eigen rasbroeders de modder intrappen.'

'Wie hebt ge op het oog, Staf?'

'Sommigen.'

'Nu weet ik al veel meer.' Het sarcasme van de oostfrontridder ontsnapte aan zijn vroegere meester.

'Sommigen, meer kan ik nu niet zeggen.'

'Zeg dan niets, Staf.'

'Sommigen die als taak hebben het thuisfront in stand te houden, om niet te zeggen: te versterken...'

'Wat doen ze? Smokkelen ze een beetje spek? Kappen ze wat boompjes om?'

Raspe keek naar de dode open haard die Papa een uur geleden had laten uitgaan. Als Raspe in zijn uniform was gekomen, met zijn eretekens opgespeld, had Papa beslist meer blokken weggehaald van het stapeltje in de kelder.

'Wij kunnen beter in de keuken gaan zitten,' zei Papa. 'Ik kan u een boterham met smout geven. Of hebt ge geen honger?'

'Ik heb altijd honger. Ik ben het gewend.'

'Het is beter met een lege maag te vechten,' zei Louis tot zijn vader, 'vanwege mogelijke schotwonden in de buik.'

Met zijn voeten in legerlaarzen op een stoel zei Raspe: 'Ik heb nog niet eens mijn moeder gezien. Ik ben gisteren aangekomen in Wachteren, de mensen zeiden mij met moeite goedendag. Niet dat ik vind dat ze mij zouden moeten ontvangen zoals het moet, ik versta het, ik ben de verloren zoon, een idealist, maar toch. Mijn moeder is naar haar zuster Emilie in Vichte. Ik stond daar voor een gesloten deur. Ik kon natuurlijk over het muurtje van de hof klimmen, desnoods een ruit inslaan, ik wilde het doen, zot genoeg omdat ik mijn zondagskostuum wilde aantrekken, met een gekleurde plastron na al die tijd, maar dan dacht ik: Voor wie? voor wat?

'Want als ik in een cafe van Wachteren kom is er grote kans dat ik die kwakkels die alleen maar smokkelen en aan profiteren denken met hun hersens tegen de muur zou kwakken. Ik ben dan maar naar het huis van een kameraad in Waregem gegaan, maar die zijn ouders begonnen te schreien en daar heb ik nooit tegen gekund, en dan is het dat ik dacht: Ik ga Staf eens gaan bezoeken die mij heel mijn leven achter de Heidelberg gekloot heeft, misschien dat ik daar een boterham met smout krijg. Het smaakt mij, Staf,' hij legde het klompje brood als een kleinood op het zeil van de keukentafel, 'maar het smaakt mij niet genoeg.' De spijkers van zijn zolen ketsten tegen de vloer. Zijn hoofd raakte bijna de lamp. Papa stond ook op.

'Als ik iets voor u kan doen, Staf...'

'Er zijn sommige Duitse ambtenaars...' zei Papa.

'Van de erla. De directeurs van de erla!' riep Louis.

'Wat doen ze?' vroeg Raspe.

'Zij krijgen grote sommen van de ouders van jongens die opgeroepen zijn. Zij worden overladen met cadeaus, soms hele hespen tegelijk, om die jongens niet op het transport te zetten, Louis is mijn getuige.'

'Ge wilt zeggen dat die heren de productie saboteren?'

'Saboteren is een sterk woord,' zei Papa.

'Zij saboteren,' zei Louis, 'onder de invloed van een priester en van een Franskiljonse dokter. Onder de druk van de Witte Brigade.'

'Maar wij kunnen dat natuurlijk niet bewijzen,' zei Papa haastig. 'En daarbij, het zijn hoge koppen.'

'Hoge koppen,' herhaalde Raspe. 'Wij hebben verleden maand nog een Hauptsturmfuhrer klein gekregen met zijn allen. Zeer klein. Ge gaat zijn naam in niet een rapport meer tegenkomen.'

Hij stootte met zijn bevroren verminkte hand tegen Louis' sleutelbeen. 'Leer uw lessen,' zei hij.

'Waar gaat ge naar toe? Waar gaat ge slapen?'

'Staf, Staf toch. Het Vlaams Legioen redt zich wel. Het zou mij verwonderen als ik binnen het halfuur geen kreeft of een kalkoen eet, al moest ik heel de keuken van het hotel 'De Zwaan' aan frieten schieten.'

Toen Papa terug in de keuken kwam zette hij, niettegenstaande de kou, het raam op een kier om de walm van Raspe's sigaretten en diens geur van dood en eer en trouw te verdrijven. 'Gij hebt een held gezien,' zei hij. 'Onthou dat heel uw leven.' Hij knabbelde aan de halve boterham met smout die de held had laten liggen. 'Moest gij er niet zijn, ik zou er aan peinzen om er ook naar toe te gaan, naar de Krim, Orel, Djepnostrok... Maar dan als chauffeur, bij de nskk. Dan ziet ge meer van het land, de meren, het gebergte, de verschillende stammen...'

==

Louis werd wakker van zacht ruziende stemmen en van Papa's vuist die tegen een hoofdkussen sloeg. Niet zoals vroeger, als hij huilde in bed en Papa, vervaarlijk menseneter, binnenvloog en brulde: 'Gaat ge slapen, ja of nee?' en met de zwaai van een houthakker zes keer ritmisch vlak naast zijn verstard hoofd op het hoofdkussen ramde. De stemmen waren geknepen, die van Papa eerder klaaglijk, die van Mama uitdagend. Louis kende de uitdrukking op haar gezicht die daar bij paste, een in zichzelf gekeerde koppige pret. Hij voelt dit soms over zijn eigen gezicht trekken, als een wolkje.

Iets later werd hij nog eens wakker. Raspe stak een van zijn blauwe, bijna zwarte, steenharde vingers in zijn oor en fluisterde in zijn andere oor dat hij van de getapte melk die hij op school kreeg mond- en klauwzeer zou krijgen, en dat hij, Raspe, boter uit de Oekraine zal smokkelen, alleen voor hem. Daar schrok Louis zozeer van dat hij uit zijn bed sprong. Hij schoof het stugge verduisteringspapier opzij, achter de diepgrijze daken dampte een gelige, lichter wordende lucht, er suisde iets, Papa's snurkende uithalen, twee honden, ver van elkaar, die signalen gaven naar elkaar. Simone sliep, dromend van een jonge, begaafde vioolspeler.

In de keuken likte Louis aan de rand van de fles Elixir, er was nog een flauw vermoeden van iets stroperigs. De bodem van een fles heet: de ziel van de fles.

Hij kroop weer in bed en bijna meteen zat hij op de witte piepende draaimolen van de speelplaats die begon te krijsen en te tollen, Louis wuifde naar Hottentotten, naar smokkelaars, naar Mongolen in immense berenjassen en gleed van de molen want een zuster remde hem af, hij lag tegen de ongelijke keien van de speelplaats tussen traag rollende knikkers. Kom, zei een behaarde stem, mond open. Een onrijp hard zuur peertje van de perelaar werd in zijn mond gestopt, hij slikte brokjes, klokhuizen, steeltjes in. Maar het was helemaal de draaimolen van het Gesticht niet waar hij in zat te zwieren, het was een honderdmaal vergroot speelgoed van felkleurige gelakte blikken vliegtuigjes die schuin aan ijle metalen kabels hingen te snorren, er ontstonden roestige gaten in de vleugels, de propellers smolten, Louis kreeg de slappe lach van de zenuwen. 'Spring!' Hij liet de zwellende, krakende kist (kist!) los, zijn parachute wiekte uiteen en werd een bolstaand helderlicht bed waar hij in zakte zonder ooit een bodem te raken en zakkend hoorde hij: Komm, vlak voor zijn neus blies een golf van de parachute zich op en werd een amberkleurig geschminkte borst, de borst bultte uit een tuniek van dezelfde kleur waarvan de knopen afsprongen maar die geprangd bleef om een lijf zonder hoofd of benen, de tuniek was volgeprikt met decoraties, Louis herkende het IJzeren Kruis, de Palmen, het Eikenloof, het Pour le Merite, de tepel is de weekste fopspeen, zoet en geurend naar amandelmelk, Louis herkent - hoe kan er ooit een 'vroeger' geweest zijn met een herinnering hieraan? - de borst van Rijksmaarschalk Hermann Wilhelm Goring, een vette boerin (maar onbevlekt ontvangen) geperst in een steeds bleker tot hagelwit wordend uniform. Komm, sundensklave Mensch, zegt de Rijksmaarschalk en hij neigt met zijn vele kinnen tot de gevlochten stormband van zijn kepie Louis' kruin beroert.

==

In de weiden achter het College ratelden machinegeweren. Oefeningen. Geschreeuwde bevelen, gejuich.

De leerlingen schreven af en toe iets op. Niet meer dan strikt nodig. Alleen maar om de Kei de indruk te geven dat ze luisterden. Want de Kei zou, fluisterde men, naar een rusthuis voor priesters afgevoerd worden. Je kon zijn gemompel niet langer meer een les noemen. De les van vandaag, over de erfzonde, was opnieuw uitsluitend voor Louis bestemd: Aan de erfzonde mag niet getwijfeld worden, al is het soms moeilijk te aanvaarden dat wij bepaald worden door een erfelijke morele ziekte. Adam en Eva hebben nu eenmaal van de verboden vrucht gegeten en hebben daarmee iedereen van dan af aan, pasgeboren, besmet.

Nu ontstaat er evenwel een moeilijkheid. Want het verhaal van de verboden vrucht en de slang et cetera is ontstaan negenhonderd jaar voor Christus. Toen Israel uit het noorden bedreigd werd door de Syriers. Toen het klokhuis van Israel zelf van binnenuit bedreigd werd door een worm, namelijk de nog steeds heersende vruchtbaarheidsritus van Baal. Ja? Daarom, om het volk van Israel met een beeldend propagandaverhaal in toom te houden werd dit verhaal in omloop gebracht. Want de historie met de slang, dat begreep het volk zeer goed, de slang was het zinnebeeld van de Kanaanse boerengodsdienst. - 'Ja?'

Een paar leerlingen op de voorste rijen knikten afwezig.

'Ja, maar wat doen wij dan,' murmelde de Kei en vermeed Louis aan te kijken, 'met de heilige Paulus die in zijn Romeinse brief beweert dat de zonde in de wereld is gekomen door een mens, waarmee hij Adam bedoelt? Wat doen wij dan met de heilige Augustinus die zegt dat alle ellende in de wereld zijn wortels vindt in deze ene daad?'

Ja, wat doen wij daarmee? De bel ging. Terwijl de anderen naar buiten stormden graaide de Kei in de vouwen van zijn toog en stopte Louis snel een briefje, nee, een aantal rantsoeneringszegels in de hand.

'Dat is voor u. Voor niemand anders, begrepen?'

==

'Liefste lieveling Louis, gij hebt waarscheinlijk al dikwijls gedacht Waar is mijn Bekka den laatsten tijd maar Lieveling ik kon niet eerder scrijven van scedert ik bij mijn tante Alicia in Baudroux-sur-Mere ben want er is verscrikkelijk gebeurd dat mijn Papatje die sukkelaar dom is geweest in Deutschland en daar ruzie heeft gemaakt met zijn Deutsche Chefs en in een Deutsche bak is gevlogen zonder pardon of medelijden en niemand weet waar en misscien voor jaren omdat hij een mes bij hem had maar hij heeft altijd een mes bij hem omdat dat gemakkelijk bij de hand is dat weet gij toch Louis, ik moet stoppen van het weenen, wacht, nu liefste Louistje van mijn hart, ik weet dat gij mij in uw hart draagt maar dat gij daar niet over spreekt en ik ook niet vandaar dat ik scrijf want misscien zien wij elkander nooit meer in dit leven want mijn tante Alicia zegt dat ik hier moet blijven den tijd van de oorlog maar ik wil hier weg misscien naar Deutschland om mijn Vaader te zoeken want niemand weet waar hij presies in de ketens ligt. Volgenst tante Alicia hier is het omdat hij iets tegen het goevernement of tegen de Furer gezegt heeft tegen zijn wil maar volgenst mij is het omdat mijn Papatje op een Zigeuner lijkt of op een Egiptenaar en dat lijkt op de Jooden en de Deutschers willen niet dat zulke mensen in de fabriek werken naast de andere arbeiders. Ik ben zo triestig alle dagen surtout savonds maar op een schoonen dag zullen wij samen gelukkig zijn, gij moogt ook naar andere vrouwen kijken als gij mij maar in Uw hart blijft draagen. Liefste Louis, ik moet nu op de kinderen van Maitre Laveyron gaan passen, het zijn klootzakken van kinderen maar het brengt op en Tante Alicia zegt dat elke frank helpt voor mijn onderoud. Tot het einde van mijn leeven blijf ik u trouw. Rebekka uw liefste Cosijns, Rue Arsene Houssaye 3, in de stad Baudroux-sur-Mere. Van mijn broeder lief hoor ik noiit iets. Hij moet in het klooster der Redentoristen blijven. Surtout de gangen kuisen. Dat ligt in de Kempen. En hoe is het met uw liefte Moeder, Madame Senave? Is zij nog altijd kwaad op ons?

Kussen en kussen. En trouw.'

==

Genevoix, de Schaarleider, die nu ook het Schiessabzeichen droeg, de lompe Haegedoorn die nu naar het Atheneum ging, Bosmans de Bloedarmoedige, zij deden alsof zij Louis niet opmerkten. Zij stonden in de correcte houding, het ogenblik was plechtig, maar een van hen had toch even zijdelings naar hun vroegere makker kunnen loensen, die naast zijn vader stond, bij de prominenten als Marnix de Puydt, doctor Leevaert, mijnheer Groothuis cum suis.

Bosmans huilde toen een dikke padachtige jongen met een zware bril en een sonore stem reciteerde: 'Hier liggen zij, als zaden in het zand, hoop op de oogst, o vaderland.' Bosmans moest zich afvragen op welk geschikt ogenblik hij zijn nat gezicht zou kunnen afvegen.

Heiligschennend hoorde Louis tijdens de rouwhulde voor Staf de Clercq, leider van zijn volk, gestorven aan leverkanker, de gitaar van Django Reinhart met het orkest van Stan Brenders, Swing Een en Veertig dat vanmorgen te horen was in de radio, toen Mama weigerde mee te gaan.

'Wat heb ik daar te zoeken?'

'Hulde brengen,' zei Papa, 'aan Onze Leider die miljaardedju heel zijn leven lang voor ons geijverd heeft, voor ons.'

'Voor u misschien. Voor mij niet.'

'Hoe durft ge, Constance?'

'Gij kende hem niet eens. Gij hebt hem nooit ontmoet.'

'Ikke? Watte? In Zevenendertig, toen wij gevochten hebben tegen de Belgische Gendarmes op de IJzerbedevaart heb ik hem persoonlijk nog vlak voor de paarden weggetrokken, in levenden lijve!'

Mama trok haar neus op en bevestigde de reep zwarte stof die zij uit een onderjurk had geknipt met veiligheidsspelden op Louis' arm.

Bij de ingang van de Stadsschouwburg, langs de vele vlaggen en wimpels, marcheerden Louis' vroegere strijdkameraden, kin naar voren, met gelijk opgetilde knieschijven. De apotheker Paelinck kwam met zijn dochter, beiden in de rouw, bij Papa staan en zei dat men om de meest onbenullige redenen geweigerd had dat hij zou voordragen. 'En ze kiezen een jongen met geen stem. Kondt gij hem verstaan, Mijnheer Seynaeve? Hij slikte al zijn medeklinkers in.'

'Ik kan daar niet over oordelen,' zei Papa, 'want ik kende de tekst van buiten.'

'Er zat geen beetje leven in die stem.'

Zij wandelden naast elkaar, in het midden van de straat, naar de Grote Markt. Aan het Belfort hing de Leeuw halfstok. Paelinck zei dat het wegvallen van Staf de Clercq een ramp was, 'want wie gaan we nu als leider krijgen. Toch zeker Dokter Elias niet? Wij hebben geen geleerde nodig, maar een dader.' (Doder, misdadiger.) 'Wij gaan ons laten inpakken door DeVlag! Unitair Belgie gaat zijn kopje weer opsteken want we gaan met zijn allen, als Belgen, door Duitsland opgeslokt worden in een directe Anschluss!'

Simone hield haar rouwende ogen naar de keien gericht.

'Nee, Mijnheer Seynaeve, we moeten waakzaam zijn over wie zijn testament uitvoert.'

'Het was niet veel bijzonders,' zei Papa, 'en daaraan kunt ge zien hoe dat die mens geleefd heeft. On-baat-zuchtig. Tienduizend frank voor zijn petekind. De grond gekocht voor zijn vrouw voor als zij naast hem zal komen te liggen op 't kerkhof van Kester. En honderd missen voor zijn zielenzaligheid.'

'Ik bedoelde zijn politiek testament, Mijnheer Seynaeve.'

'O, pardon.'

Louis vertraagde, Simone bleef aan zijn zijde.

'Ik heb u een hele tijd niet gezien.'

'Ik u ook niet,' zei hij. 'Had gij mij willen zien dan?'

'Waarom niet?'

'De muziek was indrukwekkend. Beethoven is altijd indrukwekkend.'

'Ik vond het nogal zwaar.'

'Toch was het toepasselijk.'

'Ik ben niet zo voor klassiek.'

'Ik ook niet. Gewoonlijk.'

'Ge zijt niet in uniform.'

'Ik heb meningsverschillen gehad.' (Het klonk gewichtig, raadselachtig.)

'Ik zie u liever zo. In uw golfbroek.'

'Ik ook. Ik wil zeggen: ik zie u ook liever zo dan in dat stom kostuum van de Dietse Meisjesscharen.'

'Het staat mij niet.'

De ruggen voor hen, die van haar vader en die van zijn vader. Hun eigen beider ruggen werden bewonderd door het rouwende Walle. Hij hoorde zichzelf zingen: 'Mag ik van u een foto?'

'Maar zijt toch een beetje serieus!'

Tegenover haar grijze, bijna angstige blik zong hij verder: 'Al is zij nog zo klein, met onderaan het motto: Slechts van u wil ik zijn.'

'Dat is van de Ramblers.'

'Ja. En het zegt precies wat ik...'

'Wat?'

'Voor u voel.'

''t Is het moment niet,' zei zij, en stapte sneller, kwam op de hoogte van haar vader die de buitenwijken van Stalingrad aan het beschrijven was. In de verte zaten Amadeus en Aristoteles op een terras braaf op hun vader te wachten in het herfstzonnetje. Toen renden ze op hem af. De Puydt zei: 'Staf, zoudt ge een keer voor mijn twee smeerlapjes hier willen afrekenen? Met mijn zwart kostuum in de haast aan te trekken heb ik vergeten geld mee te nemen. En we gaan naar 'Groeninghe', daar zijn wij meer onder ons.'

Onderweg zei hij: 'Staf, gij die nogal recu zijt bij de Gestapo, gij zoudt mij een plezier moeten doen, als oude kameraad.'

'Maar Marnix toch, ge weet dat ge mij alles kunt vragen.'

'D'r is mij ter ore gekomen dat er in die kringen over mijn persoon lasterlijke aantijgingen de ronde doen. Dat er zelfs een aanklacht binnengekomen is. Omdat ik alleen maar whisky drink.'

'Kom, kom, Marnix,' zei Paelinck.

'Kan ik het nu helpen dat mijn verhemelte naar whisky staat!'

'Wat kan er nu mis zijn aan een glaasje whisky?' riep Paelinck alsof hij op een podium stond. De tweeling De Puydt wipte aan Simones handen.

'Ik denk dat ze denken dat whisky...' begon Papa.

'...de drank van de vijand is!' riep Paelinck schamper. 'Wat kunnen de mensen toch kleingeestig zijn! Kijk, ik mocht daarjuist in de schouwburg niet optreden omdat de Arrondissementsreferent Vorming en Stijl vond dat de mensen mijn stem als Dalle zouden herkennen en dat ze zouden lachen. Alsof ik maar een stem heb. Alsof ik goddomme Richard de Derde niet gespeeld heb voor het Landjuweel!'

'Ik zou het nog verstaan als ik inderdaad de Britse economie zou ondersteunen,' zei De Puydt, 'maar de whisky die ik krijg is meestal bij ons gebrouwen. Zeg dat aan uw Duitse maten, Staf.'

Op de hoogte van het borstbeeld van Guido Gezelle zei hij: 'Een tijdje geleden heb ik Canadese whisky geproefd, uit een of andere noodlandende Canadese vliegmachine geroofd. Ik moet eerlijk zeggen dat het mij niet bevallen is, die mais en die mout, nee, geef mij maar een oprechte scotch die het hoofd niet doet draaien, de tong niet doet zeveren, de tanden niet doet klepperen, de darmen niet opblaast, en de aders schoon openhoudt.'

Zij stonden met zijn allen samengetroept voor cafe 'Groeninghe', waar een treurmars weerklonk.

'Staf, probeer eens mijn dossier in te kijken, dat ik tenminste weet wat de Gestapo tegen mij heeft. En als ge kunt, plaats een goed woordje voor mij. Want tegenwoordig moet ik mijn rust hebben, want ik ben aan een werk bezig dat overrompelend zal zijn.'

'Hoe is het met 'De dood van Descartes', Mijnheer De Puydt?' vroeg Louis om Simone te verblinden.

De Puydt's gezwollen vrouwelijk gezicht drukte verwarring uit. Hij herkende Louis niet. 'Descartes? Hoe komt gij daarbij, man? Dat is mijn afdeling niet. Nee, ik ben totaal opgeslorpt door een komedie.'

'Toch geen Franse vaudeville?' vroeg Papa.

'Ik zou geen vaudeville kunnen schrijven, zelfs al zou ik het willen. Nee, het wordt aanzienlijk spiritueler, licht maar toch consistent. Het oppervlak, de gratie, maar daaronder het gebeente, het gebinte van de dood, iets in het genre van de cantate 'Soft notes and gently raised', van Purcell, die fluiten en continuo, als ge mij kunt volgen.'

'Ge hebt gelijk,' zei Papa. 'Het mag verheffend zijn, maar niet te zwaar. Voor de gewone mens, wil ik zeggen.' Hij leek ineens een sombere bui te krijgen, hij wou ook niet naar binnen in het cafe 'Groeninghe'. 'Nee, serieus, Marnix, op een dag als vandaag en na zo'n ceremonie zou ik geen glas door mijn keel kunnen krijgen.'

'Ik moet naar huis,' zei Louis.

'Ik niet,' zei Simone.

'Ik ga u een keer komen bezoeken. Als het u past.'

'Waarom niet?' zei zij. Hij stak zijn hand uit, maar zij had zich al omgewend en stapte het cafe binnen, Aristoteles en Amadeus voortduwend. Door het glas-in-loodraam zag men de mollige gestalte van De Puydt op een bank zakken, in het raam gevangen als in een seculiere tempel voor Vlaamse Koppen.

Papa sjokte als een oude man huiswaarts.

'Gaan ze een standbeeld voor Staf de Clercq oprichten?'

'Daar heeft het vnv geen geld voor.'

'Een gedenkplaat dan, op de gevel van zijn huis?'

'Dat zou een schande zijn. Alleen maar een gedenkplaat. Voor iemand die zijn leven gegeven heeft. Het Vlaamse volk is ondankbaar.'

Hij was elders met zijn gedachten. Zij kwamen langs de 'Flandria', de tennisbaan lag verlaten.

'Verstaat gij uw moeder? Dat zij niet eens beleefdheid wil opbrengen tegenover zo'n grote Dode? Zij heeft geen hart. Heel mijn leven lang heeft zij mij in de koude laten staan. Heel haar leven was het te veel dat ze een beetje genegenheid toonde. Zij weet niet wat een man nodig heeft. Als ge bedenkt wat voor offers ik gebracht heb, geld, cadeaus, niks is mij te veel geweest, aan haar knieen lag ik en wat heb ik teruggekregen? Koude lucht. Dat komt omdat zij bij haar thuis geen genegenheid heeft gehad. Zij is to-taal misgekweekt! Meerke heeft haar nooit geleerd hoe ze met een man moet omgaan. Weet ge dat, in het begin dat wij getrouwd waren, als wij op bezoek gingen bij kennissen, dat zij daar niet naar het toilet wilde gaan? Zowaar als ik hier loop. Zij hield het op.'

Hij bleef staan. 'Zowaar als ik hier sta. Ge gelooft mij niet, he? Vraag het haar! Ik ga u meer zeggen, gij zijt groot genoeg, wij waren op bezoek voor 't jubileum van de vicaris, het was meer een receptie, en daar heeft ze het ook een namiddag lang opgehouden en wij komen thuis, en zij kon helemaal niet meer naar het toilet, haar blaas was verstopt, de dokter is moeten komen met een sonde. Wat scheelt er? Ge zijt zo wit...'

==

'Louis, zoudt gij mij niet kunnen koomen haalen? Het is hier zoo wreed. Tante Alicia zegt dat het beeter is dat haar broeder mijn vader nooit meer teruggevonden wordt in het gevang in Deutschland want dat hij vroeger als zij klein waaren al een deugniet was die niet deugde, dat heeft zij deezen avond gezegd omdat zij kwaad was op mij vanwege dat ik een van de kinderen van Maitre Laveyron op zijn muil geslaagen heb wat hij verdiende, Gaston Laveyron, die espres zijn telloor laat vallen om te zeggen dat ik het geweest ben. Als gij mij niet komt haalen loop ik hier weg al is het onder een trein. Liefste, Liefste, Liefste, denkt gij nog aan uw Rebekka Cosijns? Met de tram tot Doornik, dan neemt gij de boemeltrein naar Charleroi, de vierde halte is Baudroux-sur-Mere en dan vragen aan het cafe La Fleur en Papier Dore, tegenover de statie.'

==

Het sneeuwde. Louis kwam van school toen hij voor de deur van de Cosijns twee Duitse soldaten zag, de kleinste stond met zijn laars op de drempel en had blijkbaar net aangebeld. De andere, die een zeer kleine schedel en een lange nek had op een abnormaal breed bovenlijf, leunde als een straatjongen tegen de gevel en floot 'Nur nicht aus Liebe weinen'. Toen de kleinste Duitser Louis zag aankomen wendde hij zich helemaal om en riep: 'Maar wie wij daar hebben?'

Het was Vuile Sef. Louis wou hard weghollen want je in een Duits uniform verkleden, als op Carnaval, daar kon je voor gefusilleerd worden. Wie in de buurt van zo'n bedrieglijke saboteur gepakt werd kon volgens de Conventie van Geneve als medeplichtige beschouwd worden. Of volgens een andere Conventie.

'Het is Louis,' zei Vuile Sef tot de ander die eveneens onrechtmatig vermomd was. Toch was Louis trots dat Vuile Sef zijn naam onthouden had.

'Zijn zij niet thuis?'

'Bekka is bij haar tante in de Walen, en Tetje is in een klooster.'

'In een klooster?' Vuile Sef lachte hartelijk. Het sneeuwde. In de etalage van de bakkerij waar jaren geleden torentjes gebakjes en bruinkorstige luchtige pistolets en chocoladetaart en eclairs en nonnenscheetjes en boterkoeken en speculaas uitpuilden, stond een dwergpalm. Vuile Sefs weermachtuniform leek op maat gemaakt, toch bleef het Carnaval.

'Ik wilde Odiel Tetje laten zien, ik heb er hem zoveel over verteld en nu zit hij in een klooster. Eh wel, merci. 't Zal voor een andere keer zijn, Odiel. Kom, wij gaan naar 'De Graaf van Heule'. Het bevel gold ook Louis.

Louis was nog nooit in 'De Graaf van Heule' geweest omdat Papa beweerde dat daar de lucht hing van Jenny's grootvader van wie heel Walle weet dat hij aan de gele koorts gestorven is en dat Dokter Devilder zaliger het niet heeft aangegeven aan de Inspecteurs voor Volksgezondheid. Natuurlijk rook het er naar een zeer oude koortsige man.

Odiel deed zijn muts af, zijn hoofd werd nog kleiner. Als je kon kiezen, dan toch liever het waterhoofd van Guido Gezelle. Zij dronken hengstenbier, want daar had Vuile Sef zo dikwijls van gedroomd in El Ageila, aan de Golf van Sydra, waar ze hadden moeten vluchten want het werd daar te warm. 'Hoeveel graden? Odiel, Odiel, hoeveel graden zou Montgomery hebben?'

'De graad van luitenant-generaal,' zei Odiel met een jongensstem.

Vuile Sef bestelde een tweede rondje. Louis wist zeker dat hij niet zou betalen. Jenny voelde het ook aan, maar durfde uiteraard haar erfelijk belaste koortsmond niet open te doen. Odiel wilde eigenlijk liever een Spa.

'Die jongen kan zich niet amuseren,' zei Vuile Sef. 'Geloof het of niet, sedert wij in de Heimat zijn, spreekt hij van terug te gaan. De woestijn, de woestijn, het is het enige dat hem interesseert.'

'Hebt ge 't Vreemdelingenlegioen gezien, in Noord-Afrika?'

'Odiel, hebben we 't Vreemdelingenlegioen gezien?'

Odiel knikte.

'Meestal alleen hun hoofd,' zei Vuile Sef. 'De Tunesiers voetbalden er mee.'

Jenny vroeg of ze eentje mocht meedrinken. Het mocht.

'Wat hebben we niet gezien?' zei Vuile Sef. 'In Tripoli. Twee vliegers, geen drie, en 't vloog allemaal in de lucht, heel de haven, torpedojagers, vrachtschepen, onze boot danste lijk een negerin.'

'Een negerin op Carnaval,' zei Louis die dronken werd, prettig, helder en wazig om de beurt.

'Carnaval, dat is lang geleden!' De schichtige man die rondzwierf bij de kleiputten was helemaal verdwenen. Als bij Raspe hadden de opleiding, de vuurdoop, een andere man gebeeldhouwd in de soldatenkleren. Zou ik ook in zoiets zelfzekers gebronsd kunnen veranderen?

'Sef, gij zijt altijd een man van 't goed leven geweest,' zei Jenny.

'Madame,' zei Odiel, 'iemand als Jozef, die maken ze niet meer.'

'Als ik het aan mijn hart zou laten komen hebben, maar jongens toch, dan lag ik al lang in het zand,' zei Vuile Sef.

'Maar ge komt er wat mee tegen, Madame,' zei Odiel als een bezorgde huisvrouw. Hij droeg twee gouden horloges aan zijn pols, met de wijzerplaat naar binnen (als je aan het machinegeweer ligt hoef je je hand niet om te draaien) en een brede zilveren ketting aan zijn rechterhand.

'Gij ziet iemand gaarne voor zijn gebreken,' zei Jenny.

'Welke gebreken?'

'Kom, Sef, geef toe dat ge een flierefluiter zijt.'

'Dat is heel juist, Madame.'

'Gij, Odiel, Schnauze! Of we gaan eens over uw gebreken beginnen! Maar we gaan daar niet over beginnen, Jenny, geef ons nog eentje. 't Is hier wel niet warm, maar ik sta toch droog lijk een cactus. Wij hebben er gezien, he, Odiel, cactussen?'

'Meer dan genoeg.'

'We zeiden dikwijls, die cactus daar zou schoon staan in onze living in Oostende straks, maar begint dat eens mee te sleuren! Alhoewel die van het Afrikakorps ze wel naar huis stuurden, in speciale kisten. Of ze in hun Heimat toegekomen zijn, dat is een andere kwestie. Het zou mij verwonderen.'

'En spijten,' zei Odiel.

'Maar zijt gij dan niet in het Afrikakorps?'

'Louis toch,' zei Odiel.

'Ze hebben toch geen tropenhelm aan,' zei Jenny. Het sneeuwde.

'Wij hebben onze schoonste tijd gehad in Griekenland,' zei Odiel, met zijn ongemeen vierkante brede schouders achterovergedrukt schreed hij in een witte tuniek tussen Ionische zuilen, in de wijnrode wijnzwarte zee zat Aristoteles in een trireem, een Latijnse boot.

'Waar hij valse cheques getekend heeft,' zei Vuile Sef.

'Dat horen wij niet gaarne,' zei Jenny.

'Voor honderdtachtig duizend frank,' zei Vuile Sef teder.

'Ik heb het voor u gedaan zowel als voor mij.'

'Vlindertje,' zei Vuile Sef.

Zij hadden in Griekenland vliegensvlug hun biezen gepakt, hun Organisation Todt-pak uitgetrokken en waren in Egypte beland en vandaar in Tunesie, en van die landloperij was nog iets te merken, beiden konden elk moment een kersverse maskerade bedenken, van muts en tuniek en koppelriem veranderen in dierentuinbewakers, tramconducteurs. Elk moment kon ook de Feldpolizei binnenvallen in 'De Graaf van Heule'. Waren hun pistolen geladen? De verduistering begon om zestien uur veertig. De eerste arbeiders van de erla kwamen al uit hun door Mama bewaakte kooien het cafe binnen en luisterden.

Louis speelde met de gedachte de twee onbetrouwbare omtoverbare paladijnen mee naar huis te nemen om zijn ouders te verrassen. Maar hij vergat het, hij kreeg een glas aangeboden door een erla-jongmens dat zei dat zijn moeder opbloeide als een bloem, het was beledigend plagend kietelend bedoeld, maar misschien ook verzoenend kameraadschappelijk vleiend, het bier klotste in zijn ingewanden, een weids gevoel van slaap overviel hem traag vanuit alle hoeken van het cafe, de trijp van de gordijnen naderde, sloot zich zachtjes om hem heen, de stem van Vuile Sef die uitdagend snerpender was geworden het laatste uur drong met moeite door, als door een vacht van sneeuw.

'...en ik ga mee in alle goede trouw met een Oberleutnant juist nadat ze ons gemitrailleerd hadden met brisantbommen, de rafjes, en ik had juist gekookt voor de Oberst, want mijn Oberst was niet erg voor conserves en ik vlieg naar buiten met mijn schortje nog aan, die Oberleutnant zegt: ''Kom, gauw, achter op mijn moto." Ik houd mij vast aan hem, zestig per uur door het zand en in een keer, terwijl er geen palm te zien was, stopt hij en hij zegt: ''Geef mij al uw geld." Ik geef het hem en hij snort weg, nooit meer gezien, ik zeg in mijn eigen: ''Sef, ge zijt eraan," en ik ben drie weken weggebleven, wat dat ik afgezien heb kan ik niet zeggen. Odiel zegt: ''Vertel het, zeg het mij wat dat die vreemde stammen met u uitgestoken hebben." Ik zeg: ''Ventje, ik kan niet, maar ik heb veel geschreid in mijn schortje..."'

'...Zonder pardon zijn ze, een ss-man die aan een ander komt, zelfs gekleed, of die hem een kus zou geven, daar staat prompt de kogel op...'

'...wij gaan ons installeren, mijn Odiel en ik, niet te ver van de Markt...'

'Ge gaat toch geen cafe openhouden?' vroeg Jenny en vroeg of ze nog eentje mocht meedrinken. 'Drink maar eentje mee,' zei Louis.

'Nee, een winkel in stoffen en gordijnen.'

'Hier, in Walle?'

'Maar nee, mijn kind. In Oostende. Aan het zeetje. Waar de matrozen zijn.'

'De lllaatsche keer daku gezien eb,' zei Louis, 'was in 't zwembad, ge zongt van: Go down Moses.'

Vuile Sef zong het meteen weer, de arbeiders van de erla applaudisseerden.

'Bis, bis.'

Jenny riep: 'Onnozelaar, direct komen de Duitsers binnen en ik heb al naar de Kommandantur moeten gaan deze week.'

Odiel zei: 'Vrouwmens, Jozef mag zingen zo luid als hij wil.'

'Swing low, sweet chario-ot.'

'Vrouwmens, wij zwijgen voor niemand!'

'Bravo!' riepen de erla-jongens.

'Old man river,' achtervolgde Louis tot ver in de straat, tot de gevel van zijn huis die kraakwit was van de sneeuw.

==

Mama hoestte beneden in de gang. Te veel gerookt. Mama zei met een dikke stem dat zij alleen maar een wandeling gedaan had. 'Mag dat ook al niet meer, mag ik nog alsteblieft asemen?'

'Waarom hebt ge niet van de haring willen eten vanavond?' riep Papa. 'Zeg het.'

'Het is altijd haring.'

'Ach, het is niet fijn genoeg! 't Moet entrecote zijn in 't hotel ''De Zwaan''!'

'Ik had geen honger.'

'Omdat ge niet wilde dat uw adem naar haring rook!' brulde Papa.

Het licht spatte aan in Louis' kamer, zij plofte op zijn bed. In haar diep gedecolleteerde jurk met zwarte pailletten zag zij er verhit uit, haar scharlaken mond ging open en dicht alsof ze meezong met een verre song.

Zij was op Louis' voeten gevallen, het deed geen pijn.

'Hij is zot, zot,' zei zij en in zijn hemdsmouwen kwam de zot binnengestormd, krijtend: 'Zeg het, zeg het, aan uw zoon dat gij mij horens zet met de bezetter!'

'Hij is geen bezetter, hij is een eerlijk mens.'

'Hoort ge 't dat zij het toegeeft!'

'Ik geef alleen toe dat hij charmant en attent is voor mij.'

'En ik niet?'

'Nee, gij niet.'

Papa wees naar haar, de wijde zwarte mouwen van zijn toga wapperden, zijn advocatenbef kwam overeind, de gerechtszaal hield de adem in, de beklaagdenbank veranderde in het bed van een collegejongen. De beschuldigde vrouw, geschminkt, wild, hikte.

'Zij blijft ontkennen, zij bijt liever haar tong af dan de waarheid te zeggen en niets dan de waarheid, maar Constance, ge stinkt naar de waarheid!'

Mama leunde tegen de spijlen van het bed dat piepte. Zij liet zich toen voorovervallen en landde tegen Louis, sloeg haar arm om zijn nek. De waarheid stonk naar wijn en poudre-de-riz. Haar warmte drong tot hem door dwars door de zijden jurk.

De man, vader noch echtgenoot, rukte aan de spijlen van het bed alsof hij de vrouw en de jongen eruit wou kantelen. Toen stond hij hoogrood onder de lamp die zijn schaarse blonde haar een platina aureool gaf.

'Constance, kijk in mijn ogen...'

'Nee.' (Lastige bakvis Mama.)

'Kijk in mijn ogen, zeg ik!'

Zij wentelde haar haar in Louis' nek, blies kort door haar neus als paarden doen in de weide als de avondmist opkomt.

'Ik kan niet, Staf.'

'Kom uit dat bed. Die jongen heeft zijn slaap nodig.'

Haar ene gesperde oog, met de adertjes, met de stekelige zwartgeklodderde wimpers als van het veulentje op zijn rug in die weide.

'Ik ga u arrangeren. Constance, ge gaat er alles van weten.'

'Als ge dat een keer kon doen, mij arrangeren.' Zij proestte het uit, hoeven stampten in het doffe gras. Wat wou zij dan? Dat hij haar doodmaakte? Waarom en hoe wou zij, zo laag lacherig, gearrangeerd worden? Waarom stootte Papa nu die grauwe gil uit en graaide hij in haar haar en trok haar overeind, waarbij hij 'Au' riep want hij stootte zijn knie aan de ijzeren rand van het bed?

Met een grijns van pijn die niet helemaal de hoonlach verdreef werd Mama van Louis losgerukt, zij kreeg een schop en een duw, de deur van hun slaapkamer smakte dicht, Papa stommelde de trap af, zij liet vanuit haar bed een lallend en neuriend gezang horen.

Papa zat in de sofa van de voorkamer en hapte in een vuistgrote homp broodpudding die hij heel snel uit zijn geheime voorraadkast in het atelier moest gehaald hebben.

'Ik kan niet slapen met al uw gedoe,' zei Louis. 'Zullen we een partijtje dammen?'

'Mijn hoofd staat er niet naar.'

'Peinst er niet op.'

'Heel mijn leven,' zei Papa en kauwde, slikte, hapte. 'Heel mijn leven vanaf de dag dat wij getrouwd zijn...'

'Het komt allemaal door de dood van mijn broertje,' zei Louis.

'Ja, trek nog een beetje partij voor haar.' Toen de pudding op was en hij zijn vingertoppen aflikte: 'Zij wil niet bekennen, maar ze moet niet bekennen, want het is algemeen geweten in de erla, in heel Walle! Zij is gezien! Zij is gehoord! Weet gij hoe hij haar noemt?'

'Nee.' (Niet: Wie?)

'Flammchen, mein Flammchen. Alstublieft!'

'Mijn kleine Vlaamse?'

'Maar nee! Madam is een vlam! Alstublieft!'

Hij ging naar de keuken, ik volg als een hondje, hij nam de rode dunne kartonnen doos met broodsuiker, tapte een glas water aan de kraan, en wou beginnen te zuigen. Louis zei: 'Zouden we geen spekken bakken?'

'Geen slecht gedacht.'

De suiker pruttelde in het pannetje, koekte aan, donkerbruin. Papa proefde ervan. 'Nog een druppeltje azijn.' De dampende kleffe massa werd op de blauwe steen van het aanrecht gegoten. Toen het goedje lichter van kleur werd en verhardde rolde Papa het tussen zijn zwartgekloofde drukkershanden tot een worst en knipte die in gelijke, kronkelige stukjes. Zij aten beiden gretig van de veel te hete en te zure snoep. Papa las in een Karl May.

Het getik van de wekker en het geknars en gekraak van de vermorzelde zoetzure keien, laarzen langs de voordeur, en uit de slaapkamer boven af en toe een walmpje van een geneurie, dat toen doofde. Old Shatterhand en zijn bloedbroeder Winnetou slopen door de prairie, de zilverbuks hield de Sioux en de Kiowa's op afstand, een tomahawk suisde door de lucht, tientallen bizons vertrappelden en doofden in hun stofwolken het overspel.

==

De Kei bleef af en toe een paar dagen weg van het College, de leraar Wiskunde zei dat hij dan bij zijn adellijke familie uitrustte. (Zijn wij overigens in deze nieuwe tijd niet allemaal van adel? Ook arbeid adelt, want met de bevestiging van ons volk-zijn en de nieuwe mode van naar onze herkomst te graven, heeft Tante Nora met een tekening van onze stamboom vol wortels, kruinen en vertakkingen bewezen dat de Seynaeves al in de zeventiende eeuw opdoken in Wevelgem, vide het gemeentearchief aldaar, en met een beetje geluk en vooral tijd geraken wij tot in de notulen van gilden en ambachten.)

Toen hij die maandag terugkwam miste de Kei twee voortanden. Tijdens het studie-uur, zacht gekras en gekuch, geritsel van bladzijden, las de Kei op zijn troon in de wijde kille studiezaal in een boek Ergophobie en gaf het toen mee aan Louis voor zijn ouders. Louis bladerde er in, het lag op zijn schooltas op zijn knieen toen hij niettegenstaande de kou in het parkje van de Onze Lieve Vrouwekerk zat.

Een onderzoek bij tweeduizend openbare asielen in New York wees uit dat de meeste kinderen niet zo maar lui of arbeidsschuw waren maar een aangeboren gebrek hadden, een ziekelijke neiging. Ik, kind van wolkenkrabbers en van Mama, kan er dus niks aan doen dat ik arbeidsschuw ben. Twee factoren hebben schuld, aanleg en milieu. Aha, de stamboom spreekt! En de ervaring van Dr. Hanselmann, bestuurder van het pedagogisch seminarie van Zurich, heeft hem geleerd dat de hoofdschuld ligt bij de ongunstige milieuwerking. Het milieu van Nobiljon-en-thans-steeds-sjofeler-murmelende-zegelringdrager Kei heeft deze werking niet natuurlijk!

Dat boek was niet voor Louis' ouders bestemd, de Kei wist duivels goed dat Papa noch Mama het ooit zou lezen. Ik, lui kind, word geacht er in te snuffelen, mijn neiging te bestuderen, ik moet als een onreine kleine kat met mijn neus in mijn arbeidsschuwe zondige pis geduwd worden door de ik die de diagnose stelt op bevel van de Kei.

'Als het luie kind zoo een tijdlang vroeger verzuimde weldaden (o.a. scheppend spel) heeft mogen genieten dan zal het vertrouwen, achting en zeker genegenheid gevoelen voor hen die het daartoe in staat stelden.' Begrepen, dokter Kei! Vroeger verzuimde weldaden, ik ken geen andere.

En volgens jou zullen zij weer te genieten zijn. Voyons, voyons, zoals uw collega dokter docteur broekafstroper met wie je samenzweert, zou zeggen.

Aber, aber.

Hij durfde het boek niet weg te keilen. Weet je wat, Seynaeve? - Wat, Seynaeve? - Wel Seynaeve, ik voel me vreemd te moede.

Op een of andere manier ben ik gedeeltelijk verantwoordelijk voor de inkeer (of verwording) van de Kei. Hij heeft mij, lui kind, uitverkoren. Hij geeft mij seinen die ik niet kan opvangen. Waarom spreekt hij steeds vaker over de waardigheid van de mens die bedreigd wordt, vertrapt wordt? Waarom konkelt hij met drie-vier steeds dezelfde kerels van de Retorica, zij trekken zich soms terug in de turnzaal en toen ik toevallig langs kwam, hen betrapte, joegen zij mij weg met een arrogantie alsof ik stonk. Ik mis Bekka. Ik zal haar leren lezen en schrijven. Ik heb een afschuwelijke trek in chocola. Men zou geen chocoladesmaak in de vitaminen mogen doen, het doet verlangen. Verlangen naar Simone, maar ik kan er niet heen in dat stom geruit hemd van Nonkel Florent (in Engeland dat onverklaarbaar met rust gelaten wordt door de Fuhrer). Ik wil ook niet naar Nonkel Robert, alhoewel ik daar wat gehakt zou krijgen maar dan moet ik dat smeltend geleuter aanhoren over zijn Monique met wie hij gaat trouwen als de lening van Kanunnik Voordekkers doorgaat. Ik wil ook niet naar Tante Nora die mij aanstoot en vraagt hoe het met de liefde is. Dies irae, dies illa. Te allen tijde is de dood een oplossing. Vreemdst te moede, te moeder. Laatst zat een pak van briefjes van twintig frank in haar handtas. Ze zou niks merken.

Resoluut stapte hij cafe 'Groeninghe' binnen en zei: 'Noel, geef mij een glas van uw fluitjesbier. En niet te veel schuim alstublieft.'

Stalingrad.

Dat Ethiopie de oorlog heeft verklaard aan Duitsland. Brazilie ook.

Dat er verandering moet komen in de opperste leiding van de Rijkswacht, want er zijn daar majoors en commandanten bij die hun plicht niet doen, Anglofieler zijn dan Churchill, hun best doen om saboteurs door de mazen te laten glippen.

Stalingrad.

Dat de voetbalploeg van het vnv niet veel voorstelt. Politiek en sport moeten niet gemengd worden.

Stalingrad.

Dat ge soms midden op de dag in de straten van ons eigen Walle Radio Londen kunt horen, ik zeg niet waar, iedereen moet weten welke verantwoordelijkheden hij neemt, maar het doet het bloed koken als ge weet dat ze het crapuul van de Toontjesstraat aanzetten om onze koolzaadvelden naar de kloten te helpen, zogezegd omdat de olie dient voor de Weermacht.

Dat - en dit was dokter Leevaert die naarmate hij dronk meer en meer dokter met talent in Germaanse talen werd - Dat 'nadat ik heb onderzocht en met mijn analyse de traditionele bewijzen van het Godsbestaan heb verpletterd...'

'Ja maar, welke God?'

'Die van Aristoteles.'

'Aristoteles!' kreunde Marnix de Puydt. 'Hij schreide, de jongen, ik heb hem in mijn armen genomen, ik heb hem gezegd: ''Aris, mijn beertje, Papa moet centjes verdienen en daarom moet hij gerust gelaten worden, anders kan hij zijn komedie niet schrijven!" - '''t Is al komedie wat dat ge zegt," zei hij, mijn serafijn. ''Ik wil niet bij de nonnen." Ik zei: ''Aris, Papa en Mama kunnen niet voor u zorgen lijk dat het moet. En daar in het Gesticht van Haarbeke gaat ge verse eitjes krijgen en levendverse boter, recht van de koeien van 't Gesticht."'

'Ja, maar welke God?'

'De abstracte God, godverdomme luistert toch als ik spreek, de onbewogene allereerste Beweger.'

'Noel, beweeg ook eens en geef ons hetzelfde.'

'Hetzelfde kan niet, want ge hebt het al binnen,' zei Noel, zoals tien keer per dag.

'Immanuel,' schreeuwde Leevaert, die dronken is van twee Pale-Ales maar dan twee dagen en nachten kan doorgaan op hetzelfde peil.

'Gott mit uns!'

'Immanuel Kant...'

'Noch wal.'

'Sprak met een boer...'

'Boeren die ons uitzuigen, ja, maar ondertussen zijn zij het die ons laten overleven.'

'Hij zei: Bauer, laten we aannemen dat er een God bestaat, het groot geweten.'

'Goed weten.'